Zij deed het werk, een man presenteerde het
Tot halverwege de twintigste eeuw zat de wetenschappelijke verslaglegging eenvoudig in elkaar: alleen een lid kon een voordracht houden bij een genootschap, en leden waren mannen. De Royal Society in Londen koos pas in 1945 de eerste vrouwen als lid. Een vrouw gaf haar voltooide tekst aan een man, haar echtgenoot, broer of leidinggevende, en in het verslag bleef zijn naam staan. Formeel had niemand iets gestolen: de regel ging over wie het recht had om in de zaal het woord te voeren.
De tweede laag was de functie. Bij het Harvard-observatorium analyseerden vanaf de jaren 1880 tientallen vrouwen fotografische platen met spectra van sterren; ze werden daar ‘rekenaars’ genoemd. De directeur van het observatorium ondertekende de circulaires. Op een circulaire uit 1912 over de periode-helderheidsrelatie, die later de basis werd voor het meten van afstanden tot verre sterrenstelsels, staat zijn handtekening, terwijl de naam van Henrietta Leavitt in de eerste regel van de toelichting staat. Een generatie later citeert men de handtekening, niet de toelichting.
De derde laag was de achternaam. Vroege artikelen verschenen onder een meisjesnaam, latere onder de naam na haar huwelijk, terwijl indexen op achternaam werden opgebouwd: één persoon viel uiteen in twee onvolledige vermeldingen. Als je zo’n onderzoekster in een index zocht, vond je twee verschillende mensen en niet één volledig persoon. Sommigen gebruikten initialen, zodat hun werk zonder vooroordelen zou worden gelezen. Tel je die drie lagen op, dan krijg je een namenlijst waarin bijna geen vrouwen staan.
Vrouwen onder de Nobelprijswinnaars in de wetenschappen: ongeveer 4 op de 100
Erkenning gaat naar wie al bekend is
In 1968 beschreef socioloog Robert Merton het ‘Matteüseffect’: voor hetzelfde werk krijgt een beroemde wetenschapper meer erkenning dan een onbekende medeauteur. In een team waarin een vrouw bijna altijd junior was, als promovendus, assistente of laboratoriumtechnica, werkte die scheefgroei automatisch één kant op, zonder dat iemand dat besloot.
In 1993 gaf wetenschapshistorica Margaret Rossiter dit een naam: het ‘Matilda-effect’, naar een strijdster voor vrouwenkiesrecht die al in 1883 schreef dat uitvindingen van vrouwen aan mannen werden toegeschreven. Het bekendste voorbeeld is de ontdekking van pulsars in 1967: een promovenda zag het signaal op een papierstrook als eerste, terwijl haar begeleider en diens oudere collega de Nobelprijs voor Natuurkunde van 1974 kregen.
Wie ontdekte de pulsars?
De teamleider. Hij kreeg er een Nobelprijs voor.
En wie zag het signaal op de strook als eerste?
Een promovenda. Ze begreep dat het geen storing van de apparatuur was.
Hoe heette ze?
Jocelyn Bell Burnell. Haar naam staat niet op de lijst van laureaten.
Waarom kon de naam van een onderzoekster uit de wetenschap verdwijnen?
Wat helpt om een onderschatte bijdrage aan een ontdekking te zien?
Bronnen
- Het ‘Matteüseffect’ werd in 1968 beschreven door socioloog Robert Merton
- de term ‘Matilda-effect’ werd in 1993 bedacht door wetenschapshistorica Margaret Rossiter
Volgende in de serie ‘Vrouwen in de geschiedenis’
2 artikelen volledig op de site, nog 2 in de app
