Hetzelfde verhaal op verschillende wegen
Het verhaal berust op een paar vaste stappen. 's Nachts neemt een bestuurder een meisje mee op de snelweg, ze noemt een adres, hij draait zich om bij een bocht en de stoel is leeg. Bij het adres doet een oudere vrouw open: haar dochter is enkele jaren eerder bij die bocht omgekomen. In sommige versies laat de lifster een zakdoek in de auto achter, die later op haar graf wordt gevonden.
In 1942 publiceerden folkloristen Richard Beardsley en Rosalie Hankey in California Folklore Quarterly een analyse van negenenzeventig opgetekende versies van dit verhaal. In 1981 zette Jan Harold Brunvand het als titel op een boek, waarna de term "urban legend" breed bekend werd. Versies zijn ouder dan de auto: daarin neemt een ruiter de lifster achter zich mee op het paard. Het vervoermiddel verandert, het verhaal niet.
De verhouding is belangrijk. Bijna alles in het verhaal is alledaags: regen, een laat tijdstip, een specifieke bocht, een adres, een naam. Slechts één detail doorbreekt de regels van de wereld. Zulke verhalen, gewone details plus één uitzondering, worden makkelijker doorverteld dan volledig fantastische verhalen; dat bleek uit experimenten met het onthouden van verhalen, al wordt er gediscussieerd over de omvang van het effect.
Regen, een laat tijdstip, een specifieke bocht, een adres en een naam. Je kunt het je allemaal makkelijk voorstellen en het bijna controleren.
Precies één detail: de passagierster verdwijnt uit een afgesloten auto. Eén detail, daardoor valt het verhaal niet uiteen in een sprookje.
Je vertrouwt niet het verhaal, maar de verteller
Bijna nooit is het de verteller zelf overkomen. Het was de broer van een collega, een vriendin van de buurvrouw, een bestuurder die een bekende van je kent. De keten is kort, slechts één schakel, en het voelt ongemakkelijk om die te controleren: je twijfel is niet gericht op een onbekende, maar op iemand die dicht bij je staat.
Daarna doet herhaling haar werk. Hoe vaker je een bewering hoort, hoe waarachtiger die lijkt, een effect dat sinds de jaren 1970 in experimenten wordt onderzocht. Tegelijk vervaagt de bron: na verloop van tijd blijft het verhaal zelf in je geheugen hangen, maar niet meer waar het vandaan kwam of welke kanttekening erbij zat. Wat overblijft, is het gevoel dat je het van iemand betrouwbaars hoorde.
Maandag vertelt een collega het in de rookruimte, woensdag staat hetzelfde verhaal in de chat, tegen het weekend vertellen nog twee anderen het door. Je hebt niets nieuws gehoord, maar op zondag lijkt het verhaal algemeen bekend. Een patroon, geen meting.
En ten derde is er de lokale verbinding. Elke verteller verplaatst de lifster naar een weg die ze kennen: die ene spoorwegovergang, die ene kilometerpaal. De weg bestaat echt en daar is inderdaad een ongeluk gebeurd. Het controleerbare deel ondersteunt het oncontroleerbare. Alleen het verhaal zelf en de verspreiding ervan door het land zijn vastgelegd, niet één verdwenen passagier.
- Vraag wie het precies is overkomen: bijna altijd is het een kennis van een kennis
- Tel de onmogelijke details: in een rondtrekkend verhaal is dat er meestal maar één
- Zoek hetzelfde verhaal in een andere stad, meestal bestaat het daar al met een andere bocht
Waarom lijkt het verhaal over de lifster geloofwaardig?
Waarom maakt herhaling van een gerucht het geloofwaardiger?
Bronnen
- R. Beardsley, R. Hankey, "The Vanishing Hitchhiker", California Folklore Quarterly, 1942. J. H. Brunvand, "The Vanishing Hitchhiker: American Urban Legends and Their Meanings", 1981. Illusoire-waarheidseffect: Hasher, Goldstein, Toppino, 1977
Volgende in de serie ‘Stedelijke legendes’
2 artikelen volledig op de site, nog 3 in de app
